|
OT-1989
|
STATENBIJBEL 1637
|
Uitleg Ad
Roest - Weesp
|
|
|
|
1
Tijdens mijn verblijf
bij de ballingen aan de rivier
de Kebar, op de vijfde
dag van de vierde maand van het dertigste jaar, zag ik de hemel
opengaan en kreeg ik een groots visioen.
|
|
|
|
|
|
2 Het was het
vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojakin. Op de vijfde dag van de maand
|
|
|
|
|
|
3 werd het
woord van Jahwe gericht tot de priester
Ezechiel, de zoon van Buzi; het gebeurde in het land van de Chaldeeen,
aan de Kebar; daar kwam de hand van Jahwe over hem.
|
|
|
|
|
|
4 In mijn visioen
zag ik hoe een storm uit het noorden kwam opzetten: een grote
wolkenmassa waar vuur in opflitste en die omgeven was door een gloed:
de wolkenmassa schitterde als blinkend metaal.
|
4 Toen zag ik,
en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een
vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het
midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs
|
Een VTOL
vehicle met een rotor (wind) en minimaal twee kantelbare straalmotoren
(vuur). In het midden de metalen buik van het voertuig.
|

|

|
|
5 In de wolken
tekenden zich gestalten af die op vier levende wezens geleken. Ze zagen
er als volgt uit: ze leken op mensen,
|
5 En uit het
midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun
gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens;
|
Vier mensen in
pakken als astronauten met open helm vizier.
|

|
|
|
6 maar hadden elk vier gezichten en vier vleugels;
|
6 En elkeen
had vier aangezichten; insgelijks had elkeen van hen vier vleugelen.
|
De vleugelen
zijn mogelijk een back pack.
|

|
|
|
7 hun benen
waren recht en hun voeten leken op de hoeven van een kalf.
|
7 En hun
voeten waren rechte voeten, en hun voetplanten waren gelijk de
voetplanten van een kalf, en glinsterden gelijk de verf van glad koper.
|
De schoenen
hebben mogelijk koperen neusbeschermers
|

|
|
|
8 Onder de
vleugels waren bij de vier op zij mensenhanden zichtbaar. De gezichten
van de vier wezens evenals hun vleugels.
|
8 En
mensenhanden waren onder hun vleugelen, aan hun vier zijden; en die
vier hadden hun aangezichten en hun vleugelen
|
|
|
|
|
9 die met
elkaar verbonden waren, wendden zich niet als ze zich voortbewogen; ze
bewogen zich recht voor zich uit.
|
9 Hun
vleugelen waren samengevoegd, de een aan den ander; zij keerden zich
niet om, als zij gingen; zij gingen elkeen recht uit voor zijn
aangezicht henen.
|
2x2 vleugels
aan elkaar worden rotorbladen en dat 2 maal.
De rotorbladen
draaien in één richting. De rotorbladen zijn zo
lang dat zij voor zijn gezicht heen draaiden.
|

|

|
|
10 De
gezichten van de vier wezens leken van voren op dat van een mens,
rechts leken ze op
dat van een leeuw. links op dat van een stier en van
achteren op dat van een arend.
|
10 De
gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het
aangezicht eens leeuws hadden zij vier aan de rechterzijde; en ter
linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht; ook hadden die vier
eens arends aangezicht.
|
Een helm met
een afgeronde bevestiging aan de rugkant geeft het silhouet van
leeuwenmanen. De os heeft horens. Misschien zijn dat de antennes op de
pakken .
Een
zuurstofslang of een microfoonbeugel kan eruit zien als de snavel van
een arend.
|

|
|
|
11 Twee van
hun vleugels waren naar boven uitgestrekt en raakten elkaar, de twee
andere bedekten hun lichaam.
|
11 Ook waren
hun aangezichten en hun vleugelen opwaarts verdeeld; elkeen had er twee
samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hun lichamen.
|
De vleugels
(rotorbladen) waren in twee lagen verdeeld
Alt. 1x rotorbladen en de vaste
vleugels
|

|
|
|
12 Ze bewogen zich recht voor
zich uit; ze gingen waarheen de geest hen dreef en keerden zich niet om als ze
zich voortbewogen.
|
12 En zij
gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht henen; waarhenen de geest
was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen.
|
De rotorbladen
draaien altijd in één richting door.
Met De Geest
wordt het hele toestel bedoeld.
|
|
|
|
13 Tussen de levende wezens was
iets dat op brandende kolen leek, op fakkels die tussen de levende wezens op en neer flitsten; het vuur laaide hoog op
en er schoten bliksemstralen
uit.
|
13 Aangaande
de gelijkenis der dieren, hun gedaante was als brandende kolen des
vuurs, als de gedaante der fakkelen; datzelve vuur ging steeds tussen
die dieren; en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam een bliksem
voort.
|
Mogelijk
reflecterende kleding die door de beweging lichteffecten geeft zoals
een isolatiedeken, Verlichting in
het vaartuig of een lamp op de pakken?
Flitslamp van fototoestel.
|

|
|
|
14
De levende wezens zelf vlogen heen en
weer als bliksemschichten.
|
14 De dieren
nu liepen en keerden weder als de gedaante van een weerlicht
|
De
voertuigen verplaatsten zich met groot gemak horizontaal
|
|
|
|
15 Terwijl ik
naar de levende wezens keek, zag ik dat bij alle vier op de grond een wiel stond.
|
15 Als ik die
dieren zag, ziet, zo was er een rad op de aarde bij die dieren, naar
vier aangezichten van hetzelve.
|
De bodemvorm
en de zijkanten van het voertuig worden rad genoemd. Alle vlakken waren
gebogen of rond. Het totaal had een bolvorm.
|

|
|
|
16 De wielen
glansden als chrysoliet en hadden alle vier dezelfde vorm en bouw.
Ze zagen er zo uit en waren zo gebouwd alsof het ene wiel
in het andere zat.
|
16 De gedaante
der raderen en derzelver maaksel was als de verf van een turkoois; en
die vier hadden enerlei gelijkenis; daartoe was hun gedaante, en hun
maaksel, alsof het ware een rad in het midden van een rad.
|
De kleur van
het toestel is zeegroen. De kanten zagen er bijna gelijk uit.
De vormen zijn
overwegend rond met ronde vormen in een rond vlak. Het geheel had een
bolvorm.
|

|

|
|
17 Als ze zich verplaatsten, konden
ze zich in alle vier richtingen bewegen zonder dat ze
zich hoefden om te draaien.
|
17 Als zij
gingen, zij gingen op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als
zij gingen
|
Opnieuw, de
rotorbladen draaiden in één richting door. De
vleugels liggen op hun zijkant, horizontaal dus.
|
|
|
|
18 De wielen waren
indrukwekkend hoog
en de velgen ervan waren geheel met ogen bezet.
|
18 En hun
velgen, die waren zo hoog, dat zij vreselijk waren; en hun velgen waren
vol ogen rondom aan die vier raderen
|
De velgen zijn
de zijkanten van de heli. Angstwekkend hoog. Rijkelijk voorzien van
raampjes en andere ronde zaken zoal lampen, luidspreker en sensoren.
Zie de ogen aan de Chinook heli.
|

|
|
|
19
Als de levende wezens zich verplaatsten bewogen de wielen zich
met hen mee, en als ze zich van de grond verhieven, verhieven zich ook
de wielen met hen mee:
|
19 Als nu de
dieren gingen, gingen de raderen bij hen; en als de dieren van de aarde
opgeheven werden, werden de raderen opgeheven.
|
Alles zit aan
elkaar vast. Het voertuig steeg verticaal op.
|
|
|
|
20 ze gingen
naar waar de geest hen dreef, en de wielen verhieven zich gelijktijdig mee, want de geest van de
levende wezens beheerste ook de wielen.
|
20 Waarhenen
de geest was om te gaan, gingen zij, waarhenen de geest was om te gaan;
en de raderen werden tegenover hen opgeheven; want de geest der dieren
was in de raderen.
|
Spreekt voor
zich als je je een helikopter met passagiers erin voorstelt die
bewegingen maakt etc.
|
|
|
|
21 Als de
levende wezens zich verplaatsten bewogen de wielen zich mee, en als de levende
wezens stilstonden, stonden ook de wielen stil, en als de
levende wezens zich van de grond verhieven, verhieven zich ook de
wielen, want de geest van de levende wezens beheerste ook de wielen.
|
21 Als die
gingen, gingen deze; en als die stonden, stonden zij; en als die van de
aarde opgeheven werden, werden de raderen tegenover hen opgeheven; want
de geest der dieren was in de raderen.
|
Als de rotoren
bewegen, beweegt het
hele toestel. Alles gaat tegelijkertijd omhoog.
Als het
toestel stil staat, staan ook de rotoren stil.
|
|
|
|
22 Boven de
hoofden van de levende wezens bevond zich een soort gewelf dat
glinsterde als verblindend kristal, uitgespannen boven hun hoofden.
|
22 En over de
hoofden der dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de verf
van het vreselijke kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid.
|
De passagiers
zaten in een (plexi-) glazen koepel die tot boven hun hoofden doorliep.
|

|

|
|
23 Onder het
gewelf hielden de levende wezens twee vleugels naar boven gestrekt
zodanig dat ze elkaar raakten; met de twee andere bedekten ze hun lichaam.
|
23 En onder
dat uitspansel waren hun vleugelen rechtop, de een aan den ander; ieder
had er twee, die herwaarts hun lichamen bedekten, en ieder had er twee,
die ze derwaarts bedekten.
|
Mogelijk de
stoelen waarin de passagiers zaten met hoge rugleuningen en zijsteunen
|
|
|
|
24
Als ze zich voortbewogen hoorde ik het
klapperen van hun vleugels; het was als het gedruis van een grote
watermassa, als de donder van de Almachtige, als het rumoer in een legerplaats; als ze
stilstonden lieten ze hun vleugels
neer.
|
24 En als zij
gingen, hoorde ik een geruis hunner vleugelen, als het geruis van vele
wateren, als de stem des Almachtigen, als de stem eens geroeps, als het
gedreun eens heirlegers; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen
neder.
|
Het geluid
behoeft geen uitleg
De rotors van
een heli zijn flexibel en zakken naar beneden als zij stilstaan
|

|
|
|
25 En er klonk
een stem boven het gewelf dat boven hun hoofden was.
|
25 En er
geschiedde een stem van boven het uitspansel, hetwelk boven hun hoofden
was, als zij stonden, en hun vleugelen nedergelaten hadden
|
Een stem uit
een luidspreker. Kennelijk boven de passagiers cabine geplaatst.
|
|
|
|
26 Boven het
gewelf dat boven hun hoofden was gespannen zag men zo iets als een
saffiersteen in de vorm van een troon. En daarop, op wat dus een troon
leek te zijn, was een mensengestalte zichtbaar.
|
26 En boven
het uitspansel, hetwelk was boven hun hoofden, was de gelijkenis eens
troons, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis des
troons was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op
zijnde
|
De piloot zit
in een cabine boven de passagiers zoals bij de rescue heli.
De binnenkant
kan donkerder blauw van kleur zijn geweest of mogelijk had de
buitenkant vanaf een bepaalde hoogte die kleur.
|

|

|
|
27 Ik zag een
schittering als van metaal; boven zijn middel fonkelde die gestalte als
metaal, a/sof er vuur zijn
binnenste gloeide, en onder zijn middel scheen hij vuur dat een gloed uitstraalde;
|
27 En ik zag
als de verf van Hasmal, als de gedaante van vuur rondom daarbinnen, van
de gedaante Zijner lenden en opwaarts; en van de gedaante Zijner lenden
en nederwaarts, zag ik als de gedaante van vuur, en glans aan Hem
rondom.
|
Een verticale
metalen straalpijp waarin vuur te zien is. Op een kleine afstand van de
opening ziet dit vuur er anders uit door de straalstroom.
|

|

|
|
28 zoals de
boog er uitziet die in de regentijd in de
wolken staat, zo was de aanblik van de
gloed die hij uitstraalde. Aldus openbaar
zich de heerlijkheid
van Jahwe. Toen ik dat zag viel ik plat voorover. Daarop hoorde
ik een stem tot mij spreken.
|
28 Gelijk de
gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzo
was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de
gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN; en als ik het zag, viel ik op
mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.
|
De ruiten van
de cockpit zijn warmtewerend of voorzien van een dunne bedrading om
bevriezen te voorkomen. Dit geeft een polariserend- of regenboogeffect.
Ook de vlammen uit een straalpijp geven zo’n effect.
|

|

|