In 1936
werd in Khuyut Rabuah bij Bagdad een ongewoon voorwerp opgegraven. In een
archeologische opgraving vond men een mysterieuze pot of vaas die naar schatting
dateert uit een periode tussen enige honderden jaren voor Christus tot enige
honderden jaren na Christus.
De Bagdad
batterij is een 15
cm hoge kruik met een deksel van asfalt. Een ijzeren
(geoxideerde) staaf steekt in het midden naar binnen, en wordt omgeven door een
9 cm lange
koperen cilinder met een diameter van 26 mm. Wanneer de kruik gevuld wordt met
een of andere elektrolyt, zoals citroensap of azijn, dan is het in staat een
elektrische spanning van ongeveer 1 volt te leveren. De batterij is echter te klein
om enig vermogen te leveren. Daartoe zouden er tientallen van deze batterijen
aaneengeschakeld moeten worden.
De
overeenkomst met de eerste batterij zoals die in 1867 is uitgevonden door de
Fransman George Lechanché, is treffend. Die bestond ook uit een pot met een
negatieve (koolstof) en een positieve (zink) elektrode, van elkaar gescheiden
door een elektrolytische vloeistof.
Deze
batterij bevond zich in het Nationaal Museum in Bagdad, maar het is
twijfelachtig of dat het daar nog is na de plundering in 2003.